MSnieuws bericht regelmatig over onderzoeknieuws dat voor mensen met MS van betekenis kan zijn. Daarnaast houdt de website MS.nl – een platform van MS Vereniging Nederland, het Nationaal MS Fonds en Stichting MS Research – onderzoeknieuws bij. Enkele keren per jaar staat MSnieuws even stil bij onderzoeken die extra aandacht verdienen of nog niet door MS.nl zijn behandeld. In deze tweede aflevering van dit jaar gaat het over drie interessante onderzoeksrapporten, die tussen april en juli 2026 zijn uitgekomen.
Hersenkrimp op latere leeftijd trager, niet minder
Onderzoek van Sezgi Kaçar (Amsterdam UMC) laat zien dat oudere mensen met RRMS, die meededen aan medisch-wetenschappelijke studies, bij de start daarvan gemiddeld kleinere hersenvolumes hadden dan jongere deelnemers. Maar dat het tempo waarmee de hersenkrimp tijdens het onderzoek toenam juist lager lag bij ouderen. Die bevinding is gebaseerd op gegevens van 4241 mensen, ingedeeld in leeftijdsgroepen. De oudste groep in dit onderzoek was 51 tot 56 jaar.
Dit soort onderzoeken sluit doorgaans mensen boven de 56 uit. Wanneer er dus sprake is van ’oudere mensen’ gaat het hier over ouder binnen deze onderzoeksgroep, niet over mensen van bijvoorbeeld 65 of 70 jaar. Of het patroon ook bij die leeftijd doorzet, is niet onderzocht. Van belang is op te merken dat minder toename van hersenkrimp niet betekent dat de ziekte bij oudere mensen per se minder ernstig verloopt. Klachten en beperkingen kunnen ook toenemen door andere processen. Dat is in deze studie niet gemeten.
De uitkomst van dit onderzoek heeft dan ook vooral betekenis als het gaat om het door onderzoekers meewegen van hersenkrimp bij MS. Deze studie laat zien dat leeftijd daarbij een belangrijke factor is, waar in de toekomst meer rekening mee zal moeten worden gehouden.
Bron: Journal of Neurology, Neurosurgery, and Psychiatry
Onderzoek naar ‘schuimige’ opruimcellen bij MS
Onderzoekers van vooral de Universiteit Leiden, het Nederlands Herseninstituut en de Universiteit Utrecht onderzochten hersenweefsel van overleden mensen met MS. Ze vonden daarbij een opvallend type opruimcellen: microglia, die zo vol vet zitten dat ze er ‘schuimig’ uitzien. Bij donoren met een groter aandeel van dit celtype in hun beschadigde hersens was de ziekte tijdens hun leven agressiever. Of de opruimcellen die agressiviteit veroorzaken, of juist andersom, kon niet worden vastgesteld. Het gaat om een geconstateerde relatie tussen het een en het ander, geen bewezen oorzaak.
De bevinding komt uit weefsel van de Nederlandse Hersenbank, eerst onderzocht bij 28 mensen met secundair progressieve MS, later getoetst in een grotere groep van 250 hersendonoren met MS. In hersenbeschadigingen met veel van dit schuimige celtype bleek een bepaald enzym actiever dan in vergelijkbare beschadigingen zonder dat celtype. Bij muizen met een nagebootste ruggenmergbeschadiging zorgde een stof die dit enzym blokkeert voor minder vetstapeling en beter herstel.
Bij dit onderzoek gaat het nu nog alleen om hersenweefsel van overleden mensen en in muizen. Een eventueel medicijn is nog niet getest. Een kanttekening nog voor de duidelijkheid: vijf van de ruim twintig onderzoekers waren ten tijde van deze studie in dienst van de farmaceut Hoffmann-La Roche, die patenten heeft op stoffen die dit enzym blokkeren.
Bron: Van der Vliet e.a., Nature Neuroscience 29, 1585-1598 (2026).
Studie over stoppen met ZMT na je zestigste
Steeds meer onderzoek gaat over de vraag of mensen met MS op oudere leeftijd kunnen stoppen met Ziektemodificerende Therapie (ZMT). Een nieuwe, langlopende Amerikaanse studie (Cleveland Clinic) voegt daar een grote set met gegevens aan toe. Onderzoekers volgden 600 mensen met MS die op hun zestigste nog een ZMT gebruikten. Van hen stopten 396 (66 procent) daarna met de behandeling, meestal rond hun 67e; 204 gingen door. In totaal kreeg 3,3 procent daarna nog een schub, zonder een statistisch aantoonbaar verschil tussen beide groepen
Op de MRI kwamen wel nieuwe afwijkingen in beide groepen geregeld voor, en over de hele onderzoeksperiode ongeveer even vaak. Bij 37,5 procent van de mensen die doorgingen met hun behandeling en 36,6 procent van de stoppers ontstonden nieuwe MS-achtige plekjes. De onderzoekers hebben geen sluitende verklaring voor die MRI-bevindingen. Ze trekken dan ook een voorzichtige conclusie: stoppen kan bij deze groep worden overwogen, maar er is meer onderzoek nodig om de MRI-veranderingen te begrijpen. Standaard op 60-jarige leeftijd stoppen is dus niet aan de orde .
Uit de gegevens blijkt overigens dat 76 procent van de mensen die stopten met hun ZMT op dat moment nog de destijds gangbare middelen gebruikten. Die gelden als minder krachtig dan de middelen die tegenwoordig vaak worden voorgeschreven, zoals natalizumab (merknamen Tysabri/Tyruco), ocrelizumab (Ocrevus), ofatumumab (Kesimpta) of cladribine (Mavenclad). De uitkomst van dit onderzoek zegt dus weinig over stoppen met die krachtigere middelen.
Eerder schreef MS.nl hierover onder meer.
Bron: https://doi.org/10.1177/20552173261448005
Redactie MSnieuws
Bronnen: voorzitter dr. Jop Mostert van de Medische Adviescommissie van MS Vereniging Nederland en dr. ir. Bram Platel, onder meer voorzitter van de Stichting MS in Beeld. De digitaal vindbare bronnen zijn vermeld bij elk behandeld onderzoeksrapport.

