Lettergrootte: e e Sitemap Inloggen

Ruggenprik extra middel voor MS-diagnose

Een internationale topgroep van MS-deskundigen breekt een lans voor gebruik van de ruggenprik, als het nodig is om alle twijfels weg te nemen over de diagnose MS. De deskundigen doen dit in hun rapport ter precisering van de zogeheten McDonald-criteria voor de diagnose van multiple sclerose. Dit rapport is op 21 december 2017 verschenen in de neurologie-editie van The Lancet, het Britse tijdschrift dat medisch wetenschappers beschouwen als hun voornaamste medische vakblad. Het is de derde herziening van de McDonald-criteria.

Met de ruggenprik is mogelijk in sommige gevallen een eerdere definitieve diagnose te stellen. De lumbale punctie, zoals de ruggenprik officieel heet, is een oude methode om hersenvocht uit te nemen, teneinde dit nader te bestuderen op bijvoorbeeld eigenschappen van MS. In het rapport is aan de ruggenprik een aparte passage gewijd. Daarin staat onder meer: “Ofschoon onderzoek van het hersenvocht bij vorige beschouwingen over de criteria steeds minder aandacht heeft gekregen, blijft het een waardevolle diagnostische test”. Dit in elk geval, zo vindt de groep, als sprake is van enige twijfel over de diagnose, ondanks aanwijzingen door middel van bijvoorbeeld MRI-scans.

Hersenvloeistof is een waterige vloeistof die de hersenen en het ruggenmerg beschermt. Bepaalde veranderingen in de samenstelling van dat zogeheten liquor zijn karakteristiek voor MS. De ruggenprik is als diagnosemethode op de achtergrond geraakt door de komst van een techniek waarmee met magneetvelden in het centrale zenuwstelsel is te kijken, de Magnetic Resonance Imaging (MRI).

CIS

Twijfel over de MS-diagnose kan zich voordoen in het geval van wat heet een Clinically Isolated Syndrom (CIS), de aanduiding van een eenmalige aanval van verschijnselen die zeer aan MS doen denken. Vaak gaat het dan om ernstige oogafwijkingen en afnemend gevoel op diverse plekken van het lichaam. De groep deskundigen wil ook dan de lumbale punctie overigens niet zonder meer verplichten om tot de diagnose MS te komen.

Ook die CIS, als mogelijke voorloper van MS, krijgt van de wetenschappers ruime aandacht. Zij beschrijven CIS als een plotselinge uitval gedurende minimaal 24 uur van lichaamsfuncties – als het zien, het lopen en het gevoel – die wijzen op MS-achtige storingen in het centrale zenuwstelsel, en die niet gepaard gaan met koorts of infectie. Op zo’n moment mag dat volgens de McDonald-criteria nog geen MS heten. Maar als later, met inschakeling van meerdere diagnosemethoden, is vast te stellen dat de betrokkene MS heeft, mag die CIS worden beschouwd als de eerste aanval van MS. Een CIS kan zich openbaren op één plek maar het kunnen ook meerdere plekken zijn.

Het is trouwens volgens de groep vrij waarschijnlijk dat iemand uiteindelijk MS blijkt te hebben als eerst een CIS is waargenomen en de stoornissen daarvan nog steeds merkbaar zijn. Uit recent onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de mensen die een CIS hebben gehad, later de diagnose ‘definitief MS’ krijgt. “Juist als er geen CIS is geweest kunnen neurologen enige aarzeling hebben“, zo betoogt de onderzoeksgroep. “Dan moet de diagnose te bevestigen zijn door nader onderzoek of anders desnoods worden uitgesteld”.

Twee eerdere herzieningen

De criteria voor de diagnose van MS heten de McDonald-criteria, naar de eerste hoofdauteur in 2001, de Britse neuroloog W. Ian McDonald. Het doel is om met deze criteria zo snel en zo precies mogelijk de diagnose MS te stellen. De criteria zijn al twee keer eerder herzien, namelijk in 2005 en 2010. Beide keren gebeurde dat onder leiding van prof. dr. Chris Polman, de eerste MS professor van Nederland van het VUmc, nu daar lid van de raad van bestuur en verantwoordelijk voor patiëntenzorg; bovendien is hij decaan van de Faculteit der Geneeskunde.

Bij deze derde herziening zat Polmans opvolger in het Amsterdamse MS-centrum van het VUmc, prof. dr. Bernard Uitdehaag in de deskundigengroep. Bovendien was ons land er vertegenwoordigd door de wereldberoemde radioloog prof. dr. Frederik Barkhof, eveneens VUmc. In totaal waren ze met 30.

X